WEIMARANER Standaard F.C.I Nr 99
OORSPRONG
Duitsland
DATUM VAN PUBLICATIE VAN DE
WEIMARANERSTANDAARD :
27.02.1990
GEBRUIK
Veelzijdige Jachtgebruikshond (Staande Hond)
FCI CLASSIFICATIE
Groep 7 Sectie 2 : Continentale Staande Hond
met jachtproeven
KORT GESCHIEDKUNDIG OVERZICHT
Over het ontstaan van de Weimaraner zijn talrijke verhalen. Vast staat slechts,
dat de Weimaraner, die toen nog zeer veel bloed van de "Leithund" door zijn
aderen had stromen, al in de periode 1800-1830 aan het Hof van Weimar gefokt
werd. In het midden van de vorige eeuw, dus voor het begin van de zuivere fok,
was de fokkerij nagenoeg geheel in handen van meestal alleen op werkprestaties
fokkende beroepsjagers en jachtopzichters in Midden-Duitsland, vooral in de
omgeving van Weimar en Th?n. Toen de dagen van de "Leithund" voorbij waren,
werden deze honden ook gekruist met de "Hunerhund" en werd er met deze
kruisingen verder gefokt. Rond ongeveer 1890 werd er met het ras planmatig
gefokt en werd er een stamboek bijgehouden. Naast de kortharige Weimaraner kwam
ook reeds voor de eeuwwisseling, zij het sporadisch, een langharige soort voor. De Weimaraner wordt, sinds de fok in stamboeken is vastgelegd, zuiver
gefokt en is dus wezenlijk vrij van inkruisingen met andere rassen, in het
bijzonder de Pointer, gebleven. Daarmee is de Weimaraner het oudste Duitse
Staande Hondenras, dat reeds zo'n honderd jaar zuiver gefokt wordt.
ALGEMENE VOORKOMEN
Middelgrote tot grote jachtgebruikshond. Doelmatig werktype, mooi van uiterlijk
en goed bespierd. Er moet duidelijk verschil zijn tussen het type van de reu en
de teef.
BELANGRIJKE VERHOUDINGEN
Verhouding tussen de lengte van de romp ten opzicht van de schofthoogte
ongeveer 12/11. Lengte van het hoofd. Van de neuspunt tot de aanvang schedel
iets langer dan de aanvang schedel tot achterhoofdsknobbel. Voorhand : afstand
van de elleboog tot het midden van de middelvoetsbeentjes is nagenoeg gelijk aan
de afstand van de elleboog naar de schoft.
HOUDING EN KARAKTER
Veelzijde, gemakkelijk onder appel te brengen, gepassioneerde
jachtgebruikshond met een vast karakter, die een systematisch en volhardent
zoekgedrag toont, echter niet overdreven temperamentvol. Opvallend goede neus.
Rooftuig en manscherp. Betrouwbaar in het voorstaan en bij waterwerk, opvallend
lust voor het werk na het schot.
HOOFD :
Schedel
In harmonie met lichaamsgrootte en voorsnuit. Bij reuen breder dan bij teven,
echter dient verhouding breedte van de schedel in goede proportie tot lengte van
hoofd. In het midden van de schedel een verdieping. De achterhoofdsknobbel
(jachtknobbel - occiput) licht tot matig zichtbaar. Achter de ogen een goed
zichtbaar jukbeen. Uiterst geringe stop.
Voorsnuit
Neus : grote neusspiegel, uitstekend over de onderkaak. Donkervleeskleurig naar
achteren overgaand in grijs.
Vang : De vang is lang en -vooral bij reuen- krachtig, van opzij bijna vierkant
lijkend, in de omgeving van de hoektand ongeveer even breed(sterk).
De neusrug is recht of iets gewelfd, maar nooit naar onderen doorgebogen.
Lippen : De lippen zijn matig overvallend en zoals het gehemelte vleeskleurig.
Kleine mondvouw.
Kaken : Krachtig.
Wangen : Bakken gespierd en duidelijk ontwikkeld.
Gebit : Het gebit dient volledig, regelmatig en krachtig te zijn.
Snijtanden moeten zich scharend bewegen (scharend gebit).
Ogen : De ogen zijn licht tot donker barnsteenkleurig, met intelligente
uitdrukking. Als pup zijn ze hemelsblauw. Ze zijn rond en nauwelijks
scheefstaand, oogleden goed aansluitend.
Behang : De oren zijn breed en tamelijk lang, ongeveer reikend tot de mondhoek,
puntig aan de onderzijde en hoog en smal aangezet. Bij oplettendheid iets naar
voren gedraaid en gevouwen.
HALS
Adelijk voorkomen en edel gedragen, toplijn gebogen, gespierd, nagenoeg rond,
niet te kort en droog. Steviger wordend naar de schouder en harmonisch overgaand
in borst- en ruglijn.
LICHAAM
Toplijn : Van de gebogen halslijn gaat de toplijn via de goed
geprononceerde schoft harmonisch in de relatief lange vast rug over.
Schoft : goed geprononceerd
Rug : De rug is vast en gespierd, zonder doorgezakt te zijn.
Achter niet overbouwd. Een wat langere rug (raskenmerk) is geen fout.
Lengte : schofthoogte = 12 : 11.
Croupe : Bekken lang en matig schuin staand.
Borst : De borst is krachtig, doch niet overmatig breed, met
voldoende diepte -bijna tot de elleboog reikend- en met voldoende lengte. Goed
gewelfd, zonder tonvormig te zijn, met lange ribben. Voorborst goed
geprononceerd.
Buiklijn : De buiklijn is licht stijgend, de buik mag echter
niet opgetrokken zijn.
Staart : Staartaanzet iets lager dan bij andere vergelijkbare
rassen. Hij is krachtig en goed behaard. In rust hangend, en bij oplettendheid
en bij het werk horizontaal of ook hoger gedragen.
De staart bij de korthaar wordt meestal gecoupeerd als hij 1-2 dagen oud is tot
4-4,5 cm; bij de langhaar kan hij met 2-3 wervels ingekort worden. Het couperen
is volgens de standaard niet meer veplicht, en sinds 2006 verboden bij wet. De
langhaar wordt heden quasi niet meer gecoupeerd.
Reuen moeten twee duidelijk normaal ontwikkelde teelballen vertonen, die zich
volledig in het scrotum bevinden.
Geslachtsorganen : Reuen moeten twee duidelijk normaal
ontwikkelde teelballen vertonen, die zich volledig in het scrotum bevinden.
LEDEMATEN :
Voorhand
Algemeen : Gangwerk hoog, pezig, recht en parallel, maar niet
te breed staand.
Schouders : Schouders zijn lang en schuin, goed aanliggend en
krachtig bespierd. Goede hoeking van het schouderblad met opperarmbeengewricht.
Opperarmbeen : Opperarmbeen is schuin staand met voldoende
lengte en kracht.
Ellebogen : Zijn vrij en recht gelegen. Naar binnen, noch naar
buiten gedraaid
Onderarm : Is lang en recht staand.
Polsgewricht (voorknie): Is fors en sterk.
Voorpoten : Zijn gesloten en sterk, recht onder het lichaam
staand. Tenen zijn goed gewelfd. Iets langere middentenen zijn raskenmerkend.
Nagels zijn licht tot donkergrijs. Zoolballen stevig en goed gepigmenteerd.
Achterhand
Algemeen : Poten zijn "hoog", pezig en goed gespierd, parallel
staand, niet naar buiten noch naar binnen gedraaid.
Dijbeen : Van voldoende lengte, is sterk en goed bespierd.
Kniegewricht : Fors en sterk.
Onderbeen : Lang, pezen komen goed naar voren .
Spronggewricht : Fors en sterk.
Achtermiddenvoet : Pezig, haast loodrecht staand.
Achterpoten : Gesloten en sterk, zonder wolfsklauwen, verder
zoals voorpoten.
GANGWERK :
Loopbeweging moet in elk tempo ruim uitgrijpend en vloeiend zijn. Bij het lopen
gaan de voorbenen duidelijk parallel met de achterbenen. In galop lang en vlak.
De rug moet in draf horizontaal blijven. Telgang is ongewenst.
HUID
Sterk en goed, maar niet te strak, aanliggend.
VACHT :
Aard van beharing
De korthaar heeft kort (maar langer en dichter dan bij de
meeste vergelijkbare hondenrassen), sterk, zeer dicht aanliggend dekhaar, zonder
of met geringe onderwol.
De langhaar heeft zacht lang dekhaar, met of zonder onderwol.
Zijn haar is glad of licht gegolfd. Bij de ooraanzet haar erover vallend, bij de
oorpunten fluweelachtig haar toegestaan. De haarlengte aan de flanken is 3-5 cm,
aan de onderzijde van de hals, de voorborst en aan de buik meestal iets langer.
Goede bevedering en broek echter naar onder toe minder lang. Staart met goede
pluim. Tussen de tenen behaard. Minder lang haar aan het hoofd. Dikwijls is de
vacht van een langhaar pas goed ontwikkeld na zijn tweede levensjaar.
Stokharige beharing , met middellang dicht en vlak aanliggend
dekhaar, dichte onderwol en matig ontwikkelde bevedering en broek bij gekruiste
(kort- x langhaar) honden wel eens voor.
Kleur
Zilver-, ree- of muisgrijs evenals tussenvormen van deze kleuren. Kop en behang
(oren) meestal iets lichter. Witte aftekeningen zijn slechts in beperkte mate
toegelaten aan de borst en de tenen. Een min of meer uitgesproken donkeren
"aalstreep" op de rug is toegelaten. Uitgesproken bruine brand en witte
tekeningen anders dan borstvlek of aan tenen betekent diskwalificatie.
GROOTE EN GEWICHT
Schofthoogte
reuen 59 tot en met 70 cm (ideale hoogte : 62-67 cm)
teven 57 tot en met 65 cm (ideale hoogte : 59-63 cm)
Gewicht
reuen circa 30 tot 40 kg
teven circa 25 tot 35 kg
FOUTEN
Elke afwijking van de hiervoor genoemde raspunten is als fout aan te merken,
waarbij de waardering in precieze verhouding tot de mate van afwijking
vastgesteld moet worden.
ERNSTIGE FOUTEN
1. Duidelijke afwijkingen in type. A- typisch qua geslacht,
2. Grote afwijkingen qua proporties.
3. Lichte karakterfouten.
4.1. Grote afwijking in grootte en verhoudingen.
4.2. Voorsnuit: grote afwijkingen, bijvoorbeeld te sterke lippen, korte of
spitse vang.
Kaken en tanden: ontbreken van meer dan twee P1 of M3.
Ogen: lichte, nadrukkelijk lichte en eenzijdige gebreken aan de oogleden.
Behang: uitgesproken kort of lang, niet gedraaid.
5. Losse keelhuid (wammen). Grote afwijkingen in bouw en bespiering.
6. Rug: duidelijke doorgezakte of karperrug. Overbouwd
Borst, buik: Tonvormige borst, onvoldoende borstdiepte of -lengte. opgetrokken
buik.
Geslachtsorganen: Duidelijke afwijkingen in vorm, grootte of samenhang van
teelballen.
7.1. Grote onregelmatigheden van de hond in stand, bijvoorbeeld slechte hoeking,
naar buiten gedraaide
ellebogen, niet gesloten voeten.
7.2. Erg kromme poten of koehakkigheid. Poten zie verder 7.1.
8. Slecht gangwerk in een bepaal gang, gebrekkig lopen en voortschuiven
(steppen) en telgang.
9. Grote gebreken, zoals bijvoorbeeld zeer fijne of zeer grove huid.
10.1. Overgangen tussen de in de standaard vastgelegde haarsoorten. Afwezige
beharing aan buik of
behang (leeroren). Teveel wolachtig haar bij Weimaraner korthaar. Uitgesproken
gekrulde of korte
beharing bij Weimaraner langhaar.
10.2. Afwijkingen van grijstinten, zoals geel- of bruinachtig. Bruine brand.
11. Sterke afwijkingen in grootte en/of gewicht (bijvoorbeeld meer dan 2 cm in
schofthoogte).
12. Andere grote gebreken
UITSLUITENDE FOUTEN
1. Absoluut a-typisch, in het bijzonder onbeholpenheid of slapheid.
2. Absoluut niet goed geproportioneerd.
3. Karakterfouten, bijvoorbeeld zeer schuw, of angstig.
4.1. Absoluut a-typisch, bijvoorbeeld Bulldogachtige schedel.
4.2. Voorsnuit: absoluut a-typisch, bijvoorbeeld naar onderen gebogen neusrug.
Kaken en tanden: boven- of ondervoorbijter, ontbreken van meer tanden of kiezen.
Ogen: entropion of ectropion.
Behang: absoluut a-typisch, bijvoorbeeld afstaande oren.
5. Uitsproken grote wammen.
6. Sterk doorgezakte of karperrug. Sterk overbouwd.
Borst, buik: borst uitgesproken tonvormig of misvormd
Geslachtsorganen: Monorchide of Cryptochide.
7.1. Benen rachitisch of misvormd
8. In het gangwerk uitgesproken belemmerd
9. Huidmisvormingen en gebreken.
10.1. Gedeeltelijke of volledige kaalheid,
10.2. Kleur anders dan grijs. Uitgesproken bruine brand. Witte aftekeningen
anders dan borstvlek of aan tenen.
11. Uitgesproken boven- of ondermaats.
12. Andere misvormingen en/of ziektes waarvan een erfelijke doorwerking kan
worden aangenomen,
Zoals bijvoorbeeld epilepsie.
*) De samengestelde lijst kan vanzelfsprekend niet alle voorkomende fouten omvatten; deze heeft dan ook geen limitatief karakter maar is bedoeld om voorbeelden te geven van ernstige en (fok?)uitsluitende fouten.